Kaaskoppen

Matthijs Wouter Knol: ‘Nederlandse films zijn te veel op onszelf gericht’

In Kaaskoppen delen Nederlanders en Duitsers hun ervaringen binnen de handelsrelatie. Deze week Matthijs Wouter Knol. Hij is directeur van de European Film Market (EFM). De plek voor filmdeals achter het Berlijnse filmfestival Berlinale. Knol heeft het gevoel dat Nederland met fictiefilms de plank mis slaat.

Kaaskoppen is de wekelijkse rubriek van Duitslandnieuws waarin ondernemende Nederlanders en Duitsers hun ervaringen delen. We vragen hoe zij hun weg vinden over de grens.

Deze week Matthijs Wouter Knol. Hij is directeur van de European Film Market. De markt achter het filmfestival Berlinale waar Meryl Streep en George Clooney paraderen. Het is de fysieke ontmoetingsplaats voor regisseurs en producenten waar ze belangrijke deals sluiten over de films van het komende jaar.

Hoe kom je als Nederlander op die functie terecht?

Nou ja, in Berlijn terecht komen is niet zo moeilijk, dat kost 100 euro met het vliegtuig. Ik werkte voorheen op het documentairefestival IDFA in Amsterdam en ik wilde ervaring met festivals in het buitenland opdoen. Toen begon ik hier in 2008 bij de afdeling die aanstormend talent begeleidt.

En hoe maakte je de stap naar directeur van de filmmarkt?

Een mooie film maken is één ding, maar je moet je altijd afvragen: wat is de beste plek om het te laten zien? Dat is een marktvraag en daar heb ik me altijd mee bezig gehouden. Voor mij is de stap dus niet zo groot.

Wat gebeurt er op de EFM, wat is er anders dan op de rest van het festival?

Op de Berlinale zelf worden de films vertoond. Hier worden ze gekocht en verkocht door regisseurs en producenten. Het is de eerste grote filmmarkt van het jaar dus mensen zijn benieuwd naar nieuwe ontwikkelingen. De hele filmbusiness komt bij elkaar. Bioscoopgigant Pathé koopt hier de films die ze in Nederland daadwerkelijk in de zomer en herfst gaan laten draaien.

Wie kom je op deze filmmarkt tegen?

Bijvoorbeeld dus grote jongens Pathé, maar ook kleine distributeurs en kleine onafhankelijk producenten. Iedereen presenteert zich op een andere manier. De een boekt een suite in een hotel en laat de klanten daar naartoe komen, voor de kleinere producenten is er hier plek in het gebouw waar de markt plaats vindt.

Helpt het dat je Nederlander bent in de filmindustrie?

Dat is voor mij irrelevant. Je hoort vaak dat Nederlanders in Duitsland bekend staan als aanpakkers. Als er snel iets moet veranderen dan kunnen ‘wij’ dat wel. Dat neem ik met een korreltje zout, want volgens mij kunnen Duitsers dat net zo goed. Voor mijn werk is het geen voordeel.

Hoe is het om in een Duitse organisatie leider te zijn?

Ik vind het geweldig. Ik ben hier 8 jaar geleden gekomen. Tuurlijk waren er wel cultuurverschillen en obstakels door de taal, maar dat went wel. Ik vind het een verrijking om als buitenlander in Duitsland te werken en ik merk nu dat de belangstelling van de Duitsers om met buitenlanders te werken groot is.

Stelt Nederland wat voor op de internationale filmmarkt?

Jazeker wel. Van de Nederlandse documentaires weten ze in het buitenland dat ze kwaliteit kunnen verwachten. We hebben een goede reputatie en dat verklaart dat een van de grootste documentairefestivals het IDFA, in Amsterdam is. Bij fictie ligt het iets anders. Andere landen hebben grotere budgetten, een langere geschiedenis en daardoor meer ervaring. De Nederlandse fictiefilm voert in ieder geval niet de boventoon op buitenlandse festivals.

Waar ligt dat aan?

Ik heb het gevoel dat Nederland de plank mis slaat. Veel films zijn erg op onszelf gericht. Bijvoorbeeld Michiel de Ruyter en de verfilming van wat bekende boeken. Prima films, maar wat moeten mensen in Azië of Zuid-Amerika daarmee? De toon en de cinematografie is te beperkt. Nederland zou zich meer moeten bezighouden wat er nu speelt in de wereld en hoe het land zich daar tot verhoudt. De verhalen liggen op straat en er zijn zo veel spannende dingen te vertellen, maar dat zie ik niet terug in de fictiefilms.

Doen ze dat bijvoorbeeld in Duitsland beter?

Jazeker, maar dan zou ik Duitsland niet direct als voorbeeld nemen. Kijk naar Frankrijk. De Franse films snijden veel relevante thema’s aan. Over kinderen die zich bij Daesh (IS) aansluiten of over verschillen tussen generaties die daardoor uit elkaar groeien. Dat soort films kunnen net zo goed in Nederland worden gemaakt.

Kunnen we naast documentaires nog wel iets goed?

Ja, kinderfilms. Zelf ben ik opgegroeid met programma’s van de VPRO als Achterwerk in de kast. De toon die in die programma’s wordt aangeslagen is typisch Nederlands en dat vinden ze in het buitenland geweldig. En het verkoopt ook goed.

Pieter Heijboer