TNO en Fraunhofer vinden elkaar: onwijs dom wanneer je de buren niet opzoekt

Het Nederlandse onderzoeksinstituut TNO kan niet anders dan samenwerking zoeken met de Duitse equivalent Fraunhofer, zegt directeur Industriële Innovatie Arnold Stokking. "Nederland is een maatje te klein om mee te kunnen blijven doen in de internationale ontwikkelingen van innovatie. Dan kan je maar beter je buren opzoeken. Het zou onwijs dom zijn als we dat niet deden."

De laatste jaren spreekt innovatiedirecteur Arnold Stokking steeds vaker met Duitse collega’s. “Dan kom je er achter dat we met ongeveer dezelfde vragen zitten. De afgelopen 10 jaar zijn we duidelijk internationaler gaan denken.”

Toch moet elke samenwerking het Nederlandse belang dienen, zegt hij. “Zo werken we samen met diverse partijen in de voor Nederland en Duitsland zo belangrijke semiconductor equipment-markt (halfgeleiders) waaronder Carl Zeiss en ASML.” Daar zit ons belang, vindt hij. “We zijn als TNO geen commerciële partij die lukraak kennis gaat verkopen in het buitenland.”

Meespelen in een grotere liga

In april ondertekende het Nederlandse instituut een samenwerkingsovereenkomst met Fraunhofer IESE uit Kaiserslautern. De beide instituten storten zich samen op het ontwikkelen van infrastructuur voor software, iets wat bedrijven zelfstandig niet kunnen. “We merken echt dat we elkaar aanvullen. En onze gezamenlijke kennis komt weer ten goede aan onze achterban. Denk aan software voor een MRI-scanner van Philips, programma’s voor het Veldhovense ASML of kleurenprinters van Canon Océ uit Venlo.” De kruisbestuiving levert al veel op, vindt hij. “Zo komen we nu ook aan tafel met partners van Fraunhofer, grote spelers in de Duitse industrie.”

Die contacten zorgen ervoor dat TNO mee kan doen in een grotere liga. “Denk aan ontwikkelingen op het gebied van data space.” Het is voor TNO verboden om bedrijfsgegevens te delen via datadeeltool Dropbox, vertelt hij. “Daar kan de Amerikaanse geheime dienst NSA mee loeren en dat willen we natuurlijk niet. Met de Duitsers kunnen we nu aan een eigen datasysteem werken. Nederland kan het zich niet veroorloven dit soort projecten in z’n eentje te doen. De samenwerking verloopt plezierig.”

Mkb moet digitaliseren

De samenwerking moet vooral het Nederlandse mkb ten goede komen. Door de steeds snellere digitalisering van fabrieken, lopen ondernemers het gevaar om achterop te raken. Iets waar Stokking met regelmaat voor waarschuwt. “Zorg dat je aanhaakt bij smart industry.” Over het grootbedrijf maakt hij zich minder zorgen. “Maar voor het mkb geldt in dit geval echt; stilstand is achteruitgang. Ook bij klanten zullen andere verwachtingen ontstaan, daar moet je op kunnen inspelen.”

En dat is lastig, want de maakindustrie verandert steeds sneller. De hele keten moet ook digitaal op elkaar ingespeeld raken. Oude businessmodellen moeten worden ingeruild voor nieuwe. Voor veel ondernemers geen opgave die ze alleen aankunnen. Met partijen als ondernemersorganisatie FME, het ministerie van Economische Zaken, VNO-NCW en de Kamer van Koophandel is TNO daarom het platform Smart Industry begonnen. Daarbij kijken ze heel nauw naar de Duitse equivalent Industrie 4.0. Om meer samenwerking en onderzoek in Nederland op gang te brengen, zijn hiertoe 10 fieldlabs opgericht.

Van koekoeksklokken naar hightech

In Duitsland staat Industrie 4.0 al een tijdje hoog op de agenda. De afstanden tussen de bedrijven zijn daar groter en noopte eerder tot samenwerken omdat men elkaar niet meer wist te vinden, zegt Stokking. “Je komt grote spelers op de vreemdste plekken tegen. Laatst was ik bij een fabrikant midden in het Zwarte Woud, ooit begonnen met koekoeksklokken. Nu maken ze mechanische toepassingen voor zonnepanelen.”

Het is typisch voor met name Zuid-Duitsland waar bijvoorbeeld lenzenfabrikant Carl Zeiss het hoofdkantoor heeft in Oberkochen, een dorpje met nog geen 8.000 inwoners in Baden-Württemberg. “Zo vind je in die hele regio talloze wereldmarktleiders in kleine dorpjes. Industrie 4.0 moet deze bedrijven aan elkaar zien te koppelen.”

Alerter zijn zijn dan vroeger

De noodzaak om mee te gaan in de vaart der volkeren is urgent, toch wil Stokking geen doemdenker zijn. “Veel bedrijven verdienen al goed geld met nieuwe technologie, 3D-printen, interactieve tools, nieuwe manieren om feedback van klanten en leveranciers te verwerken en ga zo maar door.” Toch moet er wat gebeuren omdat innovatiecycli enorm veel sneller gaan, zegt hij. “Het gaat goed, maar we moeten alerter zijn dan vroeger. Elke directeur moet zich afvragen; heeft mijn personeel nog de juiste skills, ben ik flexibel genoeg?”

Toch moeten ondernemers die zich daar zorgen over maken zich vooral niet gek laten maken, zegt hij. Het bedrijf moet niet acuut op de kop worden gezet. “Overweeg je kansen, maken een prioriteitenlijst, kijk rustig waar je kansen liggen.” De innovatiedirecteur noemt als voorbeeld van zo’n omdenkproces een draaideurenfabrikant die verder durfden na te denken dan het maken van een deur uit glas en staal. “Toen ze beseften dat een deur ook van grote invloed is op het klimaat binnen een gebouw, zijn ze met sensoren gaan uitvogelen hoe een deur het energiesysteem kan bepalen. Zo kom je in een hele nieuwe wereld terecht.”

Om een dergelijke omslag te veroorzaken zijn de fieldlabs opgericht, vertelt hij. “Het zijn openbare proeftuinen waar iedereen mag meekijken om inspiratie op te doen. Bedrijven die nog nauwer betrokken willen raken, kunnen ook actief meedoen.” In één lab werken tot 25 bedrijven die samen voor ‘een doorbraak’ moeten zorgen. “Het is steeds lastiger voor één mkb’er om te bepalen welke innovatie nodig is. Samen kan je veel beter uitvinden wat de klant wil en dat te finetunen.”