Waarom menig Duitser me maar een onverantwoord roekeloze Nederlander vindt

Risico's uitsluiten. Duitsers zijn er een groot deel van hun leven maar druk mee. Geen volk in Europa is beter verzekerd dan onze oosterburen. Voor veel Duitsers zit het gevaar kwispelend en bijkans ook nog likkebaardend te loeren om de hoek.

Als zorgeloze en permanent gevaren onderschattende Nederlander moet ik vaak een beetje om grinniken om al die bangmakerij.

Mij zie je eind september geen muts op doen om de kansen op een verkoudheid te beperken tot een aanvaardbaar minimum. Als ik een lichtzinnige stadsgenoot het rode licht zie negeren, voel ik geenszins de behoefte opborrelen om hem te wijzen op de consequenties van zijn gedrag voor hemzelf en de samenleving in het algemeen. Ik ga er altijd van uit dat de meeste dingen in het leven wel op z’n pootjes terecht komen.

‘Komt wel goed’

En dat maakt mij onherroepelijk tot een Nederlander, heb ik gemerkt. Geen volk dat vaker roept ‘het komt wel goed!‘ en er vervolgens ook nog klakkeloos vanuit gaat dat het daadwerkelijk in orde komt. De gemiddelde Duitser zou de afspraak graag even zwart op wit willen zien.

In mijn Hollandse onbezonnenheid heb ik mijn fiets niet al in oktober veilig opgeborgen in de berging, maar verplaats ik me het hele jaar door op mijn tweewieler door de stad. Nog nooit was bij me opgekomen hoe ontzettend gevaarlijk mijn waaghalzerij is. Dat werd me wel duidelijk gemaakt tijdens mijn eerste Berlijnse winter, een aantal jaar geleden.

Het vroor toen ik wegfietste, maar daar moet je als Nederlander makkelijk tegen kunnen, dacht ik nog. Het begon zachtjes te regenen. Koude druppels. In de verte zag ik een voetganger onderuit stuiteren. Een fietser volgde terstond zijn voorbeeld. Ze krabbelden al glijdend overeind. Met een hoogmoedig vleugje ‘Schadenfreude‘ gniffelde ik in mezelf: ‘die Duitsers zijn ook niets gewend’.

Blijven rollen

Indachtig de aloude fietstechnieken uit mijn vaderland hield ik de vaart er voorzichtig in en bleef ik met mijn handen van de remmen af. Blijven rollen dus. Deze strategie werkte, ik bleef overeind waar diverse mensen om mij heen hardhandig kennismaakten met de bodem.

Ik leek zowaar mijn doel ongeschonden te gaan halen, tót de fietser voor mij uit voorzorg wel plots in de remmen kneep. Als door een onzichtbare kracht werd hij direct naar de grond getrokken. Met zijn manoeuvre sleurde hij mij mee in zijn val.

Een toeschouwer toonde geen sprankje medelijden. Of ik wel goed wijs was om überhaupt na oktober nog de fiets uit de schuur te halen.

Paniek mijden

Koudere en gladdere winters volgden. Sindsdien ben ik nooit meer onderuit gegaan, ook al bekruipt me af en toe eventjes de paniek: blijf ik wel overeind?

En die zorgen maakte een nog grotere angst in mij los. Ik was toch niet getransformeerd in een bangige Duitser? Die gedachte houdt me tot nog toe elke winter overeind. Krampachtig spreek ik mezelf moed in; ‘het komt goed! Het komt goed!’.

En zo haal ik angstvallig de paniek mijdend ongeschonden de eindstreep.

 

Deze column verscheen eerder in het RD