Een vleugje ‘Nederlands polderen’ zou Duitsland goed doen

Nederlanders hoor je regelmatig afgeven op hun eigen poldermodel. Toch zou een beetje polderen veel dingen in Duitsland vooruit helpen.

Vandaag het derde deel uit mijn opsomming ‘Met een Duitse bril op ziet Nederland er fantastisch uit‘. Dat begon met Dat wij Nederlanders zo lekker losjes zijn is niet altijd leuk voor Duitsers. Daarop volgde de vraag of we betere dienstverleners zijn. Vandaag gaat het om pragmatisme, iets wat alles te maken heeft met het polderen.

Ik schreef:

In Nederland hoor je naar mijn gevoel minder vaak dat dingen nu eenmaal zo gaan omdat het zo is. Of omdat het zo in de wet staat. Werkt het niet? Dan zeuren we net zo lang totdat het sneller en beter gaat. Met elkaar polderen klinkt misschien gezapig, maar Duitse instanties zijn erg benieuwd hoe Nederlanders zich toch door lastige politieke besluitvormingsprocessen weten te worstelen.

Pragmatisme is het samen zoeken naar een oplossing

Nederlanders zijn erg pragmatisch, merk ik sinds ik in Duitsland woon. De beroemde Nederlandse tolerantie bestaat volgens mij ook veel meer uit de erkenning dat je de medeburger met een ander smaakje ook nodig hebt. Het wassende water krijgt zelfs een protestant zover om samen met een katholiek een dijk te bouwen. Een gezamenlijke vijand zorgt voor het tolereren van de ander. Echt accepteren is een ander verhaal.

Pragmatisme is ook het probleem aanvaarden en de wil hebben om direct een oplossing te zoeken. Dat mis ik wel eens in Duitsland. Een Duitse politicus met een juridische achtergrond die Nederland nauwgezet volgt, legde het me eens uit. “Voor Duitsers is het erg van belang om aan te wijzen wie de schuldige is. Diegene moet dan maar met een oplossing komen. Nederlanders gooien het liever op een compromis.”

In Nederland moet het ‘leuk’ blijven

Ik schreef al eerder dat Duitsers een conflict niet schuwen, in tegenstelling tot Nederlanders. Een Nederlander poldert wat af in het leven, wil graag compromissen bereiken om maar van het gezeur af te zijn. We moeten het vooral leuk houden met z’n allen. Als het onverhoopt toch uitdraait op een ruzie, dan kan dat ingrijpend zijn voor de onderlinge relatie.

In Duitsland niet. Hier zie ik wel vaker een hevige uitbarsting nadat niemand water bij de wijn wilde doen. En toch blijven beide partijen na afloop vaak even goede vrienden. Een stevig conflict, daar houden ze wel van in Duitsland. Het kan de lucht doen opklaren, verklaarde een Duitse kennis.

Het heeft zo z’n voor- en nadelen. Met een Duitser kan je echt op het scherpst van de snede debatteren, het levert een diepgang op die ik in Nederland wel eens mis omdat het daar per se gezellig moet blijven. Tegelijk kan het principieel op je strepen blijven staan ook verzanden in zinloze koppigheid die niemand iets brengt.

Polderen in de praktijk

Hoe dat verschil in de praktijk werkt, bleek erg uit het interview dat ik onlangs had met Lennart Silvis, hij is directeur van netwerkorganisatie Netherlands Water Partnership (NWP). Natuurlijk zijn de Duitsers geïnteresseerd in diverse technische toepassingen, zei hij. Maar het meest interessant was toch wel de manier waarop de verschillende partijen met soms tegengestelde belangen zaken voor elkaar krijgen.

Bij projecten rond (hoog)waterveiligheid zijn per definitie verschillende stakeholders betrokken. Hierbij kan gedacht worden aan verschillende overheden (ministeries, Rijkswaterstaat, provincies, gemeenten), belangengroepen (natuurbescherming, toerisme, etc.) en uiteraard bewoners. Dat heb je in beide landen.

De Duitse delegatie was vooral onder de indruk van de uitgebreide wijze waarop dit proces in Nederland is ingericht, waardoor projecten vaak weliswaar langer duren maar daarna wel op ondersteuning kunnen rekenen van alle betrokkenen. Dit soort participatieprocessen waarin de belangen van alle betrokkenen met elkaar in verband worden gebracht zijn een belangrijk onderdeel bij het bereiken van het gewenste eindresultaat. In Nijmegen werd de Duitse delegatie ontvangen door de gebiedsmanager van het Ruimte voor de Waal-project. Hij vertelde op welke wijze zij de bewoners van het projectgebied heeft betrokken bij het proces, en uiteindelijk een onderdeel werden van het succes van het project. Deze rol en verantwoordelijkheid was voor de Duitse delegatie nieuw, waarvan werd aangegeven dat het ook in de context van Saksen-Anhalt een grote toegevoegde waarde kan hebben.

Terwijl ik het schrijf, valt mijn Duitse buurvrouw binnen. Ze woonde een aantal jaar in Nederland en bevestigt direct het pragmatisme. “Een beetje meer Nederlands aanpassingsvermogen zou Duitsland erg goed doen.” Zeker wanneer er een principiële ‘loopgravenoorlog’ ontstaat, biedt het poldermodel uitkomst.